PLATFORM VOOR PUBLIC GOVERNANCE, AUDIT & CONTROL

TPC op

Sluit je aan bij de TPC Linked In-groep, neem deel aan discussies en ontmoet vakgenoten.
Naar Linked In

TPC Archief

Adaptief bestuur en democratie

Door Harry ter Braak
Laatste bijgewerkt op maandag 02 december 2019 om 15.39
Print dit artikelE-mail dit artikel


De democratie staat in zijn vormgeving onder druk. Adaptief bestuur is nodig. Ellen van Doorne en Tom Cordeweners voerden de redactie over een boek dat inventariseert waar adaptief bestuur over gaat. Frans Hendriks, Koen van der Krieken en Charlotte Wagenaar reflecteren op het referendum in ons bestel. Jur de Haan en Erik van Venetië proberen de wethouder een steuntje in de rug te bieden met hun boek over de tango die de wethouder met de ambtenaar in deze roerige tijden dient te dansen.

De tango van de wethouder en de ambtenaar

Jur de Haan en Erik van Venetië, Den Haag: Wethoudersvereniging, 2016, 80 blz.

De veranderingen in de maatschappelijke omgeving schuren met tradities, zekerheden en procedures waar ambtenaren mee te maken hebben. Wethouders vertellen hoe ze daar tegenaan botsen. En hoe ze een nieuwe rol vinden, samen met hun ook al zoekende ambtenaren. Dat levert een nieuw samenspel op.

Na een inleiding, volgt een kleine reflectie op de eerste dag van de wethouder. Gevolgd door de behoefte aan een dreamteam van vertrouwelingen die tussen hen en andere ambtenaren verbinding organiseren. Vanuit de rijkdom aan diersoorten in het gemeentehuis worden vervolgens vijf redenen aangedragen om van wethouders te houden.

Uiteindelijk gaat het om het bewustzijn de nieuwe machinist op de rijdende trein te zijn, waar je het verschil maakt in de smalle marges. Er mogen geen excuses zijn voor vertraging en dat daagt uit niet verzeild te raken in een interne stammenstrijd. In het hoofdstuk over de wethouder-directeur komen de bekende dilemma’s aan de orde van de taakverdeling tussen wethouder en manager.

De netwerksamenleving vereist een meer integrale kijk op dossiers. De oude piketpalen moeten dan uit de grond. De omgeving vraagt om politieke sensitiviteit, maar ongewenste bemoeienis is risicovol. Dat vereist een hek om de politieke boksring. Maar ook een twinkeling in de ogen van de ambtenaar om de echte opgaven van nieuwe antwoorden te voorzien. Aansluiten op de leefwereld van de burger gaat met muizenstapjes en eist doorzettingsvermogen. De kunst is als wethouder jezelf te blijven onder de dagelijkse agendadruk die om je heen heerst. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met praktische tips voor de wethouder.

Geen wetenschappelijke verhandeling, maar wel inzichtelijk en handig voor de nieuwe wethouder en de jonge ambtenaar die in eenvoudige taal wil weten hoe dat zo gaat met nieuwe wethouders.

Democratische zegen of vloek?

Frans Hendriks, Koen van der Krieken & Charlotte Wagenaar, Amsterdam: Amsterdam University Press, 2017, 229 blz., ISBN 9789462987050

De auteurs spelen in op de behoefte (wetenschappelijk) te reflecteren op de rol van het referendum in de democratie. De vermenging van tegenstrijdige modellen van democratie van de ‘stemmendemocratie’ met het traditionele ‘schikken en plooien’ nodigt uit tot het vinden van een wijze omgang met dit fenomeen.

De argumenten pro en contra het referendum passeren in het eerste hoofdstuk. Het bijzondere geval van het Oekraïne-referendum wordt uitgebreid besproken in het tweede hoofdstuk. Vervolgens wordt het in een bredere context geplaatst van de Nederlandse democratie en transformaties daarbinnen (hoofdstuk drie). Dan volgt, in het vierde hoofdstuk, een verkenning van de stemmendemocratie mede in het licht van de stormachtige ontwikkelingen van de ICT en de sociale media. In het vijfde hoofdstuk wordt een en ander in internationaal perspectief geplaatst door te kijken naar Zwitserland, Italië en Californië. De Brexit, en de Griekse en Deense EU-referenda volgen in hoofdstuk zes en het boek sluit af met de vraag Quo Vadis? Dan gaat het om een realistisch handelingsperspectief. Instituties als politieke partijen, massaverkiezingen en referenda, zo betogen de auteurs, kunnen in verkeerde handen dramatisch worden misbruikt.

De propositie die de auteurs aanbieden heeft als harde kern een correctief referendum, maar dan wel nieuwe stijl en beter ingebed dan het Oekraïne-referendum, dat ‘in sterkte’ moet worden ingezet, meer correctief dan scheppend. Het dient zo te worden ingezet dat het bijdraagt aan een collectief leerproces, met drempels en randvoorwaarden bij majoriteit stemmen en met deliberatieve, inclusieve toevoegingen aan referenda.

Voor managers en controllers die in hun werk worstelen met democratische uitdagingen bieden de auteurs in dit boek veel stof tot nadenken.

Adaptief Bestuur

Ellen van Doorne & Tom Cordeweners, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2018

De roep om adaptief bestuur wint aan kracht. Managers en controllers weten zich uitgedaagd. De complexe opgaven van onze tijd doen een dringend beroep op het bestuur zich anders te organiseren en gedragen: energietransitie, klimaatverandering, zelfrijdende auto’s en bitcoins zijn voorbeelden die genoemd worden in deze essaybundel. De bundel bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt ingegaan op de betekenis van adaptiviteit. In het tweede deel wordt de praktijk aan de hand van drie cases behandeld.

Adaptief bestuur houdt meer in dan een kameleontische overheid. Het is beter actief op zoek te gaan naar verstorende ontwikkelingen dan erdoor te worden overvallen. Het gaat erom anti-fragiele systemen/organisaties te creëren om sterker van schokken te worden en te streven naar blootstelling aan disruptieve ontwikkelingen. Het is niet nodig dat alle organisaties in gelijke mate adaptief zijn. Als er één ding uit de essays naar voren komt, is het namelijk dat waarlijk adaptieve overheidsinterventies niet op de tekentafel ontworpen worden. Wel bieden de auteurs handvaten, aanknopingspunten en inspiratie om tot adaptiviteit van bestuur te komen.

Variatie en selectie zijn de twee belangrijkste ingrediënten in het evolutionaire proces. Variaties in een soort zorgen ervoor dat eigenschappen die de overlevingskans vergroten geselecteerd kunnen worden. De omgeving bepaalt welke eigenschappen dit zijn. Variatie en selectie in de bestuurlijke context vereisen de vrijheid om ervaring op te doen met uiteenlopende beleidsopties (differentiatie) en om beleid vorm te geven op basis van verkregen inzichten.

Geconstateerd wordt dat incrementele beleidsvoering doorgaans gericht is op het optimaliseren van bestaande structuren en het behoud van stabiliteit. Er is meer nodig.

De omgang met deze maatschappelijke transities vraagt om een proactieve overheid die richting geeft in plaats van meebuigt met verrassingen. Het vergt een verschuiving van optimalisatie van onderdelen van het systeem naar adaptiviteit van het hele systeem.

Regionale samenwerking doet bij uitstek een beroep op het aanpassingsvermogen van betrokken partijen. De regio is immers een kneedbaar concept. Regio’s doorkruisen provincies en landen, overlappen elkaar en kennen grenzen die vaak niet historisch bepaald zijn. Gepleit wordt voor ‘dynamische bestuurskunst’, waarbij wisselende coalities en samenwerkingsverbanden in de plaats komen van rigide opvattingen en structuren. Adaptief bestuur in de regio vraagt derhalve om flexibiliteit en een zekere mate van pragmatisme.

Bij demonstratieprojecten op het vlak van de energietransitie is vaak sprake van publiek-private samenwerking. Overheidsorganisaties vervullen hierbij de rol van spelregelveranderaar. Demonstratieprojecten kunnen knelpunten op dit gebied aan het licht brengen en helpen bij het bepalen en bijstellen van normen voor het bedrijfsleven. Ook hier is experimenteren dus een middel om beleid op een adaptieve manier te formuleren en aan te passen.

Bij de beoordeling van de adaptiviteit van de rijksoverheid worden twee betekenissen van adaptiviteit onderscheiden: robuustheid en flexibiliteit. Robuustheid heeft betrekking op de veerkracht van de overheid, het vermogen om overeind te blijven bij schoksgewijze verandering. Aansluitend bij bovengenoemde noties over anti-fragiliteit kennen robuuste organisaties en systemen een zekere mate van overcapaciteit en de vrijheid om fouten te maken. Flexibiliteit gaat over het vermogen van een organisatie om te veranderen wanneer de omgeving dat noodzakelijk maakt. Dit betekent onder andere het loslaten van vaste structuren en processen.

Drs. H.J.M. ter Braak is docent Strategie en Verandermanagement aan de Vrije Universiteit Amsterdam en organisatieadviseur bij Wagenaarhoes.

Gepubliceerd op: woensdag 09 mei 2018 om 13.57
Laatste bijgewerkt op: maandag 02 december 2019 om 15.39