PLATFORM VOOR PUBLIC GOVERNANCE, AUDIT & CONTROL

TPC op

Sluit je aan bij de TPC Linked In-groep, neem deel aan discussies en ontmoet vakgenoten.
Naar Linked In

column

Mechanische doping in de wielersport

Door Peter van der Knaap
Laatste bijgewerkt op woensdag 27 juni 2018 om 10.24
Print dit artikelE-mail dit artikel

 

Juni 2018 (jaargang 16, nummer 3)

Wat kunnen toezichthouders en controleurs ervan leren?

Femke van den Driessche was een Belgische veldrijdster. En een goeie: ze was nationaal jeugdkampioen veldrijden en crosscountry. In 2015 werd ze zelfs Europees kampioene bij de talenten. Maar dan raakt ze in opspraak: bij de wereldkampioenschappen veldrijden in 2016 werd tijdens een controle in een van haar fietsen een motortje aangetroffen. En dat mag niet. Van den Driessche ontkende in eerste instantie dat de fiets van haar was, maar dat mocht niet baten. Ze werd geschorst en is inmiddels helemaal gestopt.

Het is een fascinerend verhaal. Een klassiek treurspel, compleet met de tragiek van een jong slachtoffer. Intussen heeft de internationale wieler­unie, de UCI, de handen vol aan wat ‘mechanische doping’ is gaan heten: het stiekem aanbrengen van motortjes in racefietsen. Men heeft nu zelfs röntgenapparatuur aangeschaft om boosdoeners te kunnen betrappen.

Dat schoot mij allemaal door mijn hoofd tijdens een drukbezochte bijeenkomst van Vide over toezicht op nieuwe technologie. Een relevant en populair onderwerp: innovatie is overal en het tempo hoger dan ooit. Bedrijven moeten nu eenmaal innoveren om te overleven. Niemand wil als het Kodak van de 21ste eeuw de geschiedenis in (Kodak geloofde niet in digitale fotografie). En dat heeft grote gevolgen voor het werk van toezichthouders. Want: hoe houd je toezicht op iets dat je niet eens kent? Of niet begrijpt? Simpel­weg omdat het nieuw is…

We innoveren wat af met z’n allen. In de financiële dienstverlening geven computers in plaats van mensen ons beleggingsadvies. In de zorg wordt software ingezet om tumoren op te sporen. In de wereld van vervoer en transport wordt van alles verwacht van de zelfrijdende auto. Eigenlijk is zo’n elektrisch motortje in een racefiets nog maar kinderspel.

Maar hoe controleer je of het goed en veilig werkt? Hoe zitten die computer­algoritmes eigenlijk in elkaar? Wat betekent het als robots uitgaan van verkeerde veronderstellingen? Kunnen partijen misbruik maken van de ge­gevens die ze verzamelen? Hoe kunnen we, kortom, het beste omgaan met toezicht op innovatie?

Twee principes kunnen ons helpen. Op de eerste plaats zou het publieke belang voorop moeten staan. Het publieke belang van fraude in de sport is er niet, maar bij elektrische fietsen of auto’s ligt dat anders. Wanneer een technologische innovatie per saldo een grote verbetering van veiligheid, gezondheid of welzijn kan inhouden, zou die beoogde verbetering voorop moeten staan. Laten we vooraf in kaart brengen wat precies de gezochte winst is en binnen welke randvoorwaarden we die dichterbij kunnen brengen. Om vervolgens de vraag te stellen: past het binnen de spelregels of zijn er juist wetten en regels die in de weg staan?

Een mooi voorbeeld is de ‘Europese Innovatiedeal’ voor duurzame energie. Bedrijven en overheden gaan daarbij samen belemmeringen in kaart brengen voor de opslag van zonne-energie in elektrische auto’s. Dat levert duidelijkheid op, óók voor toezichthouders.

Het tweede dat goed kan werken is het gebruik van experimenten. Alleen na een goed uitgevoerd experiment kunnen we vaak pas goed beoordelen of de voordelen van een innovatie inderdaad groter zijn dan de nadelen. Toezichthouders zien dit belang ook. AfM en DNB stellen in hun ‘maatwerkbenadering’ van innovatie bijvoorbeeld dat een concept voldoende uitgewerkt moet zijn om het toe te passen in een realistische omgeving. Ook moet het volgens AfM en DNB duidelijk zijn wanneer een proefperiode wordt beëindigd. Daarmee voorkom je dat je mee wordt gezogen in een ontwikkeling die je niet meer kunt stoppen.

Of de geschiedenis van Femke van den Driessche hiermee anders zou zijn afgelopen? Het zou kunnen, maar waarschijnlijk niet. Motortjes horen niet in wielersport, punt uit. Toch zou het – ook voor Van den Driessche zelf – beter zijn geweest als er helemaal nooit een motortje zou zijn geplaatst. Bijvoorbeeld omdat men vooraf beducht was geweest voor controle.

Wat dat betreft is er misschien nog een derde principe: probeer te voorzien op welke manier nieuwe techniek misbruikt kan worden. Toegegeven: dat is moeilijk. Maar wel belangrijk. Want ook bij mechanische doping geldt: vertrouwen is goed, maar controleren ook.

Peter van der Knaap is directeur van SWOV en voorzitter van Vide - beroepsvereniging van professionals in het veld van toezicht, inspectie, handhaving en evaluatie.

Gepubliceerd op: dinsdag 26 juni 2018 om 12.44
Laatste bijgewerkt op: woensdag 27 juni 2018 om 10.24